BAPTISTEN
Gemeente
Het Baken

kerspellaan 2
(wijk Angelslo)
7824 JG
EMMEN


hartelijk welkom

LEVENSVRAGEN
(in alfabetische volgorde)

RENTMEESTERSCHAP

Ten eerste
Het rentmeesterschap van de gelovige is niet het bewerken en bewaren van de aarde. Dat was in eerste instantie wel de opdracht voor Adam en had betrekking op de Hof, het paradijs.
"En de HERE God nam de mens en plaatste hem in de hof van Eden om die te bewerken en te bewaren." Genesis 2:15
Na de zondeval en nadat Adam en Eva uit de hof werden verdreven was er geen sprake meer van de hof bewerken en bewaren. Adam krijgt een nieuwe opdracht om de aarde te bewerken. Niet om de aarde te bewaren.
"Toen zond de HERE God hem weg uit de hof van Eden om de aardbodem te bewerken, waaruit hij genomen was." Genesis 2:23
Dus niet om de aarde te bewaren!

Dat zou ook niet kunnen want de aardbodem ligt onder de vloek van God.
  • "En tot de mens zeide Hij: Omdat gij naar uw vrouw hebt geluisterd en van de boom gegeten, waarvan Ik u geboden had: Gij zult daarvan niet eten, is de aardbodem om uwentwil vervloekt; al zwoegende zult gij daarvan eten zolang gij leeft, en doornen en distelen zal hij u voortbrengen, en gij zult het gewas des velds eten; in het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aardbodem wederkeert, omdat gij daaruit genomen zijt; want stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren."
    Genesis 2:17-19
  • "Want met reikhalzend verlangen wacht de schepping op het openbaar worden der zonen Gods. Want de schepping is aan de vruchteloosheid onderworpen, niet vrijwillig, maar om de wil van Hem, die haar daaraan onderworpen heeft, in hope echter, omdat ook de schepping zelf van de dienstbaarheid aan de vergankelijkheid zal bevrijd worden tot de vrijheid van de heerlijkheid der kinderen Gods. Want wij weten, dat tot nu toe de ganse schepping in al haar delen zucht en in barensnood is."
    Romeinen 8:19-22
  • "Maar de tegenwoordige hemelen en de aarde zijn door hetzelfde woord als een schat weggelegd, ten vure bewaard tegen de dag van het oordeel en van de ondergang der goddeloze mensen."
    2 Petrus 3:7
  • "Wij verwachten echter naar zijn belofte nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, waar gerechtigheid woont."
    2 Petrus 3:13
  • "En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde; want de eerste hemel, en de eerste aarde was voorbijgegaan, en de zee was niet meer."
    Openbaring 21:1

Ten tweede
Het rentmeesterschap is in de eerste plaats van geestelijke orde.
Ons is namelijk de velerlei genade van God toevertrouwd!
Dat rentmeesterschap bestaat uit DIENEN.
Petrus schrijft: "Dient elkander, een ieder naar de genadegave, die hij ontvangen heeft, als goede rentmeesters over de velerlei genade Gods."
1 Petrus 4:10
Er is een grote verscheidenheid in genadegaven!
Elke gelovige heeft op z'n minst één genadegave ontvangen om daarmee te dienen.
"Er is verscheidenheid in genadegaven, maar het is dezelfde Geest; en er is verscheidenheid in bedieningen, maar het is dezelfde Here; en er is verscheidenheid in werkingen, maar het is dezelfde God, die alles in allen werkt. Maar aan een ieder wordt de openbaring van de Geest gegeven tot welzijn van allen. Want aan de een wordt door de Geest gegeven met wijsheid te spreken, en aan de ander met kennis te spreken krachtens dezelfde Geest; aan de een geloof door dezelfde Geest en aan de ander gaven van genezingen door die ene Geest; aan de een werking van krachten, aan de ander profetie; aan de een het onderscheiden van geesten, en aan de ander allerlei tongen, en aan weer een ander vertolking van tongen. Doch dit alles werkt een en dezelfde Geest, die een ieder in het bijzonder toedeelt, gelijk Hij wil. Want gelijk het lichaam een is en vele leden heeft, en al de leden van het lichaam, hoe vele ook, een lichaam vormen, zo ook Christus; want door een Geest zijn wij allen tot een lichaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij slaven, hetzij vrijen, en allen zijn wij met een Geest gedrenkt. Want het lichaam bestaat toch ook niet uit een lid, maar uit vele leden. Indien de voet zeggen zou: omdat ik niet de hand ben, behoor ik niet tot het lichaam, behoort hij daarom niet tot het lichaam? En indien het oor zeggen zou: omdat ik niet het oog ben, behoor ik niet tot het lichaam, behoort het daarom niet tot het lichaam? Als het lichaam geheel en al oog was, waar bleef het gehoor? Als het geheel en al gehoor was, waar bleef de reuk? Nu heeft God echter de leden, elk in het bijzonder, hun plaats in het lichaam aangewezen, zoals Hij heeft gewild. Indien zij alle een lid vormden, waar bleef het lichaam? Maar nu zijn er wel vele leden, doch slechts een lichaam. En het oog kan niet zeggen tot de hand: ik heb u niet nodig, of ook het hoofd tot de voeten: ik heb u niet nodig. Ja, veeleer zijn die leden van het lichaam, welke het zwakst schijnen, noodzakelijk, en juist die delen van het lichaam, welke wij minder in ere houden, bekleden wij meer eervol, en onze minder edele leden worden met groter eer behandeld, doch onze edele leden hebben dat niet nodig. God heeft evenwel het lichaam zo samengesteld, dat Hij meer eer gaf aan hetgeen misdeeld was, opdat er geen verdeeldheid in het lichaam zou zijn, maar de leden gelijkelijk voor elkander zouden zorgen. Als een lid lijdt, lijden alle leden mede, als een lid eer ontvangt, delen alle leden in de vreugde. Gij nu zijt het lichaam van Christus en ieder voor zijn deel leden.
1 Korinthiërs 12:4-27

Ten derde
Het geven van stoffelijke zaken
Achtergrond
Het is Gods plan dat christenen het werk van Jezus Christus in de wereld ondersteunen door tienden en gaven. 'Elke eerste dag der week !egge ieder uwer naar vermogen thuis iets weg .. .' (1 Kor. 16:2).

Het idee van het geven van tienden gaat terug naar de vroegste bijbelse geschiedenis. Abraham betaalde tienden aan Melchizedek nadat hij van de strijd terugkeerde (Hebr. 7:6). De Wet gaf de Levieten de opdracht tienden te heffen van het volk (Hebr. 7:5). Hoewel een tiende letterlijk tien procent van iemands inkomen betekent, hoeft men zich niet daardoor te laten beperken in zijn geven als men de mogelijkheid en de wil heeft om meer te geven.
Het Nieuwe Testament leert ons dat christenen persoonlijk, regelmatig, methodisch en naar vermogen dienen te geven om de plaatselijke gemeente, de behoeftigen, evangelisatie en zending te ondersteunen (1 Kor. 16:2).

Geven uit een hart dat vol is van de liefde van God, moet kenmerkend zijn voor de wedergeboren gelovige. 'Bedenkt dit: wie karig zaait, zal ook karig oogsten, en wie mildelijk zaait, zal ook mildelijk oogsten. Een ieder doe, naardat hij zich in zijn hart heeft voorgenomen, niet met tegenzin of gedwongen, want God heeft de blijmoedige gever lief. En God is bij machte alle genade in u overvloedig te schenken, opdat gij, in alle opzichten te allen tijde van alles genoegzaam voorzien, in alle goed werk overvloedig moogt zijn' (2 Kor. 9:6-8).

We hebben Gods belofte dat in onze eigen noden zal worden voorzien wanneer wij ingaan op de noden van zijn werk en zijn dienstknechten. 'Mijn God zal in al uw behoeften naar zijn rijkdom heerlijk voorzien, in Christus Jezus' (Fil. 4:19). Billy Graham merkt op: 'We hebben, evenals duizenden anderen, in ons gezin gemerkt dat, wanneer wij de tienden geven, Gods zegen op de negen-tienden maakt dat we er verder mee komen dan met tien-tienden zonder zijn zegen. Hoe u met uw geld omgaat, is een vrijwillige zaak. God dwingt u niet het op de ene of de andere manier te besteden.

Er zijn echter bepaalde bijbelse grondbeginselen, in een denkwijze van christelijk rentmeesterschap.
1.Om te beginnen bijvoorbeeld is God de eigenaar van alles. Wij zijn conciërges, om het zo te zeggen, van zijn bezit. Alles wat wij geven, is per definitie toch al van Hem.
2.In de tweede plaats moet ons geven worden gemotiveerd door liefde - en door een persoonlijke toewijding aan Christus. 3>Ten derde is christelijk rentmeesterschap weliswaar niet gebaseerd op hoop op beloning, maar er is geen betere investering in termen van rendement. Jezus sprak in Marcus 4 over dertig-, zestig- en honderdvoudige vergoeding... Als het tienden geven op zijn plaats was onder de wet, dan nog meer in dit tijdperk van vrijheid en genade... Probeer de tiende te geven en meer - met blijdschap en enthousiasme - en u zult het zien, u zult het zien!'

Het gesprek
  1. Probeer vast te stellen of de persoon met wie u spreekt christen is. De eerste gave die God van ons verwacht, is onszelf. Moedig hem aan openlijk voor Christus uit te komen, vertrouwd te geraken met het Woord van God, van gebed een vaste gewoonte te maken, zich aan te sluiten bij een gemeente waar het Woord van God wordt onderwezen voor de gemeenschap, bijbelstudie en mo3elijkheden tot dienst.
  2. Geef het volgende door als men om advies over het geven vraagt.
    1. Wordt een actief, meelevend christen in een plaatselijke gemeente waar de Bijbel wordt onderwezen. Als we deel uitmaken van een gemeenschap van gelovigen, stimuleert dat ons en geeft ons motivering en perspectief voor het geven.
    2. Bid om wijsheid in uw geven, en verzamel informatie, zodat u weet aan wie u geeft. Veel niet-evangelische en zelfs sektarische organisaties ontvangen regelmatig giften van evangelische christenen die te weinig geestelijk onderscheidingsvermogen aan de dag leggen. Weet aan wie u geeft!
    3. Aan wie dient de evangelische christen te geven?
      (1) Een belangrijk deel van uw tienden en gaven dient naar uw eigen plaatselijke gemeente te gaan.
      (2) Een ander deel moet worden gereserveerd en gebruikt voor de armen en voor mensen met bijzondere noden. Dit kan eveneens via uw plaatselijke gemeente gaan.
      (3) Er zijn veel bedieningen in evangelisatie, zending en liefdadigheid die de steun van de christen waard zijn. Geef aan een aantal daarvan.


Woorden uit de Bijbel
  • 'Vereer de Here met uw rijkdom en met de eerstelingen van al uw inkomsten, dan zullen uw schuren met overvloed gevuld worden en uw perskuipen van most overstromen.'
    Spreuken 3:9, 10
  • 'Geeft en u zal gegeven worden: een goede, gedrukte, geschudde, overlopende maat zal men in uw schoot geven. Want met de maat, waarmede gij meet, zal u wedergemeten worden.'
    Lucas 6:38
  • 'Brengt de gehele tiende naar de voorraadkamer, opdat er spijze zij in mijn huis; beproeft Mij toch daarmede, zegt de Here der heerscharen, of Ik dan niet voor u de vensters van de hemel zal openen en zegen in overvloed over u uitgieten.'
    Maleachi 3:0
  • 'Mijn God zal in al uw behoeften naar zijn rijkdom heerlijk voorzien, in Christus Jezus.'
    Filippenzen 4: 19
  • 'Hun, die rijk zijn in de tegenwoordige wereld, moet gij bevelen niet hooghartig te zijn, en hun hoop gevestigd te houden niet op onzekere rijkdom, doch op God, die ons alles rijkelijk ten gebruike geeft, om wèl te doen, rijk te zijn in goede werken, vrijgevig en mededeelzaam, waardoor zij zich een vaste grondslag voor de toekomst verzekeren om het ware leven te grijpen.'
    1Timoteüs 6:17-19
  • 'Wanneer gij dan aalmoezen geeft, laat het niet voor u uitbazuinen, zoals de huichelaars doen in de synagogen en op de straten, om door de mensen geroemd te worden. Voorwaar, Ik zeg u, zij hebben hun loon reeds. Maar laat, als gij aalmoezen geeft,
    uw linkerhand niet weten wat uw rechter doet, opdat uw aalmoes in het verborgene zij, en uw Vader, die in het verborgene ziet, zal het u vergelden.'
    Matteüs 6:2-4
    Romeinen 12: 1